Posts tonen met het label blog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label blog. Alle posts tonen

7.9.12

De vrouwelijke filmmaker in opkomst















Leslye Headland (l) en de cast van Bachelorette

In de Filmkrant van deze maand staat een artikel over vijf Nederlandse filmmakers wiens nieuwste film in première gaat op het Nederlands Film Festival. Het zijn er acht in totaal, vijf daarvan zijn vrouw. In Nederland hebben we dan ook geen gebrek aan vrouwelijke filmmakers: Paula van der Oest, Antoinette Beumer, Nanouk Leopold, Urszula Antoniak, jong talent Sacha Polak. En ook Frankrijk levert opvallend veel vrouwelijke filmmakers af, Claire Denis en Agnès Varda voorop. Hollywood blijft intussen achter. De Amerikaanse filmindustrie is, meer dan de industrie in Europese landen, gebaseerd op oude, conservatieve machtsstructuren. Mark Cousins schijnt in zijn The Story of Film op te merken dat cinema in zijn begindagen zowel vrouwen als mannen aantrok. Pas toen bleek dat er grote sommen geld mee te verdienen waren, werden de vrouwen - en de minder geldbeluste mannen, kan ik me zo voorstellen - er met veel ellebogenwerk uit gemanoeuvreerd.

Maar er lijkt het één en ander te gaan veranderen. De vrouwelijke filmmaker is in opkomst, ook in de Verenigde Staten. Veel van die vrouwen werken buiten de studio's om en maken kleine, onafhankelijke producties. Anderen weten een voet tussen de deur te krijgen bij de studio's omdat ze al op een andere manier naam hebben weten te maken. Denk aan multi-talent Miranda July, dochter-van Sofia Coppola, actrice Julie Delpy, schrijfster Rebecca Miller of ster-zonder-weerga Madonna.

Een interessante, verheugende ontwikkeling. De vrouwelijke blik is in de filmgeschiedenis schandalig onderbelicht, met name in de klassiekers die deel uitmaken van het filmcanon. Of je er nou de Sight & Sound-poll op nakijkt, de IMDb Top 250 of de deze week gepubliceerde top-50 die door de lezers van NRC Handelsblad werd samengesteld, in de genoemde films speelt de vrouw vrijwel altijd een bijrol, of komt er zelfs helemáál niet in voor. Nu wil ik niet beweren dat vrouwelijke filmmakers per se films over vrouwen maken, net zomin als dat mannen altijd films over mannen maken. Kathryn Bigelow, de enige vrouw die in meer dan tachtig jaar Oscar-geschiedenis de prijs voor beste regisseur kreeg toebedeeld, staat tenslotte bekend om haar testosteronrijke actiefilms. Toch geloof ik dat meer feminiene films beginnen bij een meer feminiene filmwereld: meer vrouwelijke filmmakers dus, maar ook meer vrouwelijke scenaristen, producenten, studiobazen, kostuumontwerpers, editors, geluidsontwerpers.

Dit najaar krijgen we alvast een voorproefje van die feminiene filmwereld. Momenteel is Kelly Reichardts prachtig verstilde western Meek's Cutoff te zien, alsook Sarah Polleys veelgeprezen Take This Waltz. En vanaf gisteren draait ook Your Sister's Sister, van mumblecore-koningin Lynn Shelton. Volgen nog:
  • Ruby Sparks van regieduo Jonathan Dayton en Valerie Faris, naar een script van Zoe Kazan (13/09)
  • 2 Days in New York van Julie Delpy (20/09) 
  • Love Is all You Need van Susanne Bier (27/09)
  • Bachelorette van Leslye Headland (04/10)
  • Little Black Spiders van Patrice Toye (11/10)
  • L'enfant d'en haut van Ursula Meier (08/11) 
  • Lore van Cate Shortland (releasedatum nog niet bekend)
  • Confession of a Child of the Century van Sylvie Verheyde (releasedatum nog niet bekend)
  • In Darkness van Agnieszka Holland (releasedatum nog niet bekend)

31.8.12

MEEK'S CUTOFF

Ballen
















Ik lees een interview met Kelly Reichardt, de onafhankelijke Amerikaanse filmmaker wiens meest recente film Meek's Cutoff momenteel in de Nederlandse filmtheaters draait. Nog beter dan die film vind ik Wendy and Lucy, uit 2008. Dat Reichardt met een klein budget werkt, is evident, maar ze weet van die nood een deugd te maken. Kleine films maakt ze, klein verteld en klein gespeeld. Maar haar thema's zijn groots - en het effect ervan ook.

De interviewer vraagt Reichardt of ze niet liever met een hoger budget werkt, als ze eenmaal een zekere mate van succes heeft bereikt. Reichardt raakt geïrriteerd, vooral het woord "succes" stoort haar. Ze vraagt de interviewer wat hij onder succes verstaat, want ze vindt zichzelf succesvol zat. Ze werkt als filmdocent, heeft volledige artistieke vrijheid als regisseur. Ze werkt juist graag met een laag budget. Hoe meer vingers in de pap, hoe lastiger het is je eigen stempel op een film te drukken, stelt ze.

Maar een gebrek aan geld drukt natuurlijk óók op de kwaliteit van de film. Minder geld betekent ook een minder professionele cast en crew, minder goede apparatuur, minder tijd. In een ander stuk, waarin Reichardt wordt geïnterviewd door collega-regisseur Gus Van Sant, vertelt de filmmaakster dat ze zelf haar zware filmprint naar Californië brengt, omdat er geen geld is om die te versturen. Het is zo intiem op de set, vertelt ze, de grens tussen cast en crew is miniem. Iedereen draagt zijn steentje bij. Aan de andere kant, voegt ze daar plotseling aan toe: Ze zou zo graag de camera eens verplaatsen.
Meek's Cutoff is een nagenoeg perfecte film. Maar wat had ik die camera graag eens zien bewegen. En dan heb ik het niet over crane shots of helikoptershots, dan heb ik het over een track shot op een stukje rails, of een eenvoudige pan. 'It's really hard to stay small, actually,' zegt Reichardt.

Waar blijven die vrouwen toch, vraag ik me bijna dagelijks af. Waar blijven de begenadigde songwriters, de grensverleggende kunstenaars, de schrijfsters die er schijt aan hebben? Als ik een film als Meek's Cutoff zie, weet ik: een gebrek aan talent is het toch niet. Als ik zo'n interview lees, denk ik: is het een gebrek aan lef? Zit de vrouw voor eeuwig in die grot, baby's te zogen en bessen te plukken terwijl de manbeesten terrein verkennen, grens verleggen, de dood dagelijks in de ogen kijken?

In de VPRO Gids staan de twaalf Nederlandse albums die genomineerd zijn voor een 3voor12award. De enige vrouw die ertussen zit, is de titel van Faberyayo's album: Coco. We zitten in die grot, wij vrouwen, en we vinden het wel best. Het talent is er, zeker weten. Het is het gebrek aan ballen dat ons nekt.

30.7.12

A.I.
















Robots en dochters

Let op: dit stuk bevat spoilers

Ergens in de toekomst wordt een robot gebouwd. De robot is een jongetje en hij is geprogrammeerd om van zijn moeder te houden - maar kan zijn moeder wel van hem houden? Kan een mens liefde geven aan een robot?

Nee, luidt het antwoord in Spielbergs A.I. Artificial Intelligence (2001). En samenwonen gaat ook al niet echt lekker. Het robotjongetje in kwestie wordt uiteindelijk weggestuurd en heeft vanaf dat moment nog maar één wens, nog maar één doel in zijn eeuwigdurende schijnleven: terug naar mama toe. Maar dan moet hij eerst een echt jongetje worden. Hoe deed Pinokkio dat ook alweer? Simpel. De blauwe fee vervulde zijn wens.

Subiet verandert de scifi-thriller in een avonturenfilm en gaat het robotkind op zoek naar de blauwe fee. Hij vindt haar uiteindelijk onder water, in een overstroomd Manhattan. Een echte fee is ze niet, slechts een standbeeld in een pretpark. Maar de robot weet niet beter, hij vraagt haar of ze een echte jongen van hem wil maken. En dan vraagt hij het nog eens. En nog eens. En nog eens. Zo herhaalt hij zijn wens tot in de eeuwigheid, met een hartbrekend hoopvolle glimlach op zijn schattige robotgezichtje.

Hier had A.I. moeten natuurlijk moeten eindigen, maar Spielberg deed liever een happy end. De wens van het robotjongetje komt uit, sort of, en hij eindigt in de armen van zijn moeder. Of althans, de illusie van zijn moeder. Is dit einde echt zoveel meer happy dan de eerdergenoemde scène met de blauwe fee? Ook in die scène stelt het robotjongetje zich tevreden met een illusie: de illusie dat zijn wens zal uitkomen.

Ineens herinner ik me het interview dat RTL Boulevard laatst met Mitch Winehouse had, de vader van de vorig jaar overleden Amy Winehouse. Hij vertelt dat hij nog eens een sms'je gestuurd naar Amy's telefoon gestuurd heeft, ná haar overlijden. Hij schreef: Wanneer kom je thuis?

Mitch Winehouse is een nuchtere man, dat zie je. Maar ook nuchtere mannen doen een wens als ze de blauwe fee tegenkomen, zolang die wens maar sterk genoeg is. Rouw doet gekke dingen met je, verklaart Mitch Winehouse het zelf. Even, heel even, gelooft hij dat zijn wens vervuld zal worden. Dat zijn dochter thuiskomt. Of terugsms't: Ben iets later, zie je zo.

Het sms'je van Mitch Winehouse aan zijn dode dochter zie ik weerspiegeld in het robotjongetje dat met glimmende ogen aan de blauwe fee blijft vragen: Maak je een echt jongetje van mij? Allebei hopen ze, tegen beter weten in en zonder resultaat. Spielberg zag er geen happy end in. Ik wel.

13.6.12

PLAY


















Spel

Er zijn van die films die een lichtje in je hart ontsteken. Zo'n film is Play (Ruben Östlund, 2011) niet. Sterker nog, nadat ik de filmzaal aangeslagen verlaten had, fietste ik schichtig om me heen kijkend naar huis. Wat dat betreft kun je Play beschouwen als de anti-Intouchables, want waar die Franse komedie het verschil tussen zwart en blank probeert te slechten, daar lijkt diezelfde kloof in deze Zweedse feel bad-film juist groter dan ooit.

In Play zien we hoe een groepje zwarte jongetjes een groepje blanke jongetjes een mobieltje afhandig probeert te maken. Ze gebruiken daarbij geen dreigementen of geweld maar een handig psychologisch spelletje. Deze truc, die ook in het echt jarenlang werd uitgevoerd, draait om racisme. 'Je denkt toch niet dat ik je ga beroven?' vraagt een van de zwarte jongetjes uitdagend. 'Zeg dan ja!' roep ik in gedachten. Maar de oenige jongens zeggen helemaal niks, bang als ze zijn om voor racist uitgemaakt te worden. Bang om onbeleefd te zijn. Ja, Play gaat over racisme, over blank ongemak in de multiculturele samenleving en de dunne scheidslijn tussen xenofobie en exotisme. Maar de film gaat ook over iets heel anders, over pesten.

Ik moest er weer aan denken toen ik Play zag, aan hoe mijn zusje en ik een keer werden gevolgd door een jongetje dat toch zeker drie of vier jaar jonger was dan wij. Het was begonnen in de botsauto's op De Dam, waar hij me steeds met zijn kleine mollige armpje probeerde aan te raken. Daarna was hij stomweg achter ons aan blijven lopen. En wij deden niets.

Waarom zeggen de blanke jongetjes in Play niet: 'Ja, we denken dat je ons gaat beroven'? Waarom vluchten ze niet? Waarom zijn ze überhaupt met de jongens in gesprek gegaan? Mijn zusje en ik overlegden fluisterend. We moesten het maar negeren, besloten we. Inmiddels weet ik: hoe banger je bent, hoe meer macht je aan je belager geeft. De jongens uit Play hebben alle macht van de wereld. Ze verdienen aan die macht - mobieltjes, geld; zelfs een spijkerbroek maken ze afhandig - maar boven alles spelen ze met die macht. Uit verveling. En gewoon, omdat ze die macht nu eenmaal gekregen hebben. Wie gaat er nu niet fietsen als hij een mountain bike heeft?

Hier en daar gaat Play de grens van de waarschijnlijkheid over. Op die momenten voelt de film sensatiebelust, alsof Östlund uit was op controverse. (Hij bereikte overigens zijn doel: in Zweden barstte er naar aanleiding van de film volop discussie los.) Jammer, want juist de meer ambivalente scènes raken aan een tragische waarheid. Halverwege de film sluiten de blanke jongetjes een deal met hun belagers: als een van hen honderd pushups doet, mogen ze naar huis. Hoe meer pushups het blanke jongetje doet, hoe enthousiaster de zwarte jongetjes worden. Ze moedigen hem aan, hopen oprecht dat het hem lukt om aan hun greep te ontsnappen. Eens temeer wordt duidelijk dat het de pestkoppen niet om dat mobieltje gaat. Deze jongens zijn geen monsters maar gewoon een stel verveelde kinderen. Het is dat besef dat deze scène zo schrijnend maakt.

Halverwege het Damrak draaide mijn zusje zich naar het mollige jongetje om. 'En nu laat je mijn zus met rust!' schreeuwde ze. Het jongetje schrok en droop af. Wij liepen snel door naar huis, stomverbaasd dat een instinctieve reactie meer effect had dan het in onze ogen beschaafde negeren. Misschien moeten we onze kinderen toch ook wat onbeleefdheid aanleren. De gepeste jongens uit Play zouden er in ieder geval bij gebaat zijn.

25.5.12

Marilyn in Cannes















Vreemd vind ik het. Op de poster van Cannes staat dit jaar Marilyn Monroe afgebeeld. Ik begrijp op zich wel waarom. Zowel het filmfestival als de actrice heeft dit jaar een jubileum te vieren. Maar het ene jubileum is wel wat heugelijker dan het andere: het Festival de Cannes bestaat 65 jaar, Marilyn Monroe is 50 jaar dood. Ze overleed op 5 augustus 1962.

Ik vind het wat gezocht, met name omdat Monroe het festival tijdens haar leven nooit bezocht heeft. Naar mijn weten is ze zelfs nooit in Frankrijk geweest. De enige connectie tussen Cannes en Monroe is dat Joseph L. Mankiewicz' voortreffelijke All about Eve in 1951 meedong naar de Gouden Palm. Monroe had een opvallend maar zeer klein rolletje in de film.

Wat vind ik eigenlijk? Vind ik het hypocriet dat het filmfestival Monroe 50 jaar na haar dood claimt? Ja. Maar de Monroe-poster tergt vooral mijn gevoel voor logica. Vorig jaar sierde een foto van Faye Dunaway uit 1970 de poster van Cannes. Oké, ik snap het heus wel. Zowel de actrice als het festival zijn sjiek, klassiek, sophisticated. O ja, en ze doen allebei iets met film. Maar los daarvan is het verband volledig kunstmatig. En ergerlijk nostalgisch.

Mijn ergernis zakte wat toen bleek dat ik niet de enige was. Ook Peter Bradshaw van The Guardian vindt de combinatie Monroe-Cannes opmerkelijk, al maakt hij zich er aanzienlijk minder druk om dan ik. Goed, eigenlijk moet ik content zijn dat er enige aandacht geschonken wordt aan wat wereldwijd het jaar van Monroe had kunnen zijn. Verder blijft het nogal stil rond het icoon. EYE zou bijvoorbeeld de plek bij uitstek zijn om een keer de aandacht van Monroe's uiterlijk naar haar - immer onderschatte - talent te verschuiven. Daar worden er echter alleen op haar sterfdag films met en over haar vertoond. De rest van de zomer gaan we er weer naar The Shining kijken, tijdens het Stanley Kubrick-retrospectief.

In Vlaams filmtijdschrift Filmmagie verscheen deze maand een stuk waarin Dirk Dufour Monroe's mooiste rollen ontleedt: in Asphalt Jungle, Niagara, Some Like it Hot, The Misfits, het onvoltooide Something's Gotta Give. Een mooi artikel met een schrijnend slot. In de laatste alinea vraagt Dufour zich af hoe Hitchcocks Vertigo was geweest 'zonder de vlakke Kim Novak en met de intense, troebele dubbelzinnigheid van Marilyn Monroe'. Die fascinerende, eeuwig frustrerende gedachte laat me niet meer los.

Lees het stuk van Peter Bradshaw

20.1.12

Husbands and wives

Mevrouw Valentin zit aan het ontbijt. Met haar echtgenoot, die man aan de overkant van de tafel, praat ze niet meer. Hij speelt met zijn hond, zij leest de krant. Ze hebben elkaar niets te zeggen - en dat is niet alleen omdat dit een stomme film is.

George Valentin, de titelfiguur uit Michel Hazanavicius' The Artist, is voor een ander bestemd, dat weet de toeschouwer allang. Nog voordat mevrouw Valentin in beeld komt, hebben we namelijk al kennisgemaakt met starlet Peppy Miller, die even opgeruimd is als haar naam doet vermoeden.

Maar er mag dan een vonk zijn overgesprongen tussen George en Peppy, vooralsnog zit hij aan het ontbijt met zijn vrouw, dag na dag zonder een woord te zeggen. Ze heeft zelfs haar krant opengeslagen om zijn kop maar niet te hoeven zien. Het blijkt zinloos want haar man, superster van de stomme film, staat namelijk ook in de krant.

Op het witte doek kent de liefde slechts twee varianten. De eerste variatie is die van de ware liefde. Dat klinkt eenvoudiger dan het is, die ware liefde, want de geliefden in kwestie moeten allerlei obstakels overwinnen voordat ze samen kunnen zijn: klassenverschillen, geldzorgen, een zekere boze stiefmoeder. Laten we dit de Romeo-en-Julia-variant noemen. De tweede variant is die van de verwoestende liefde. Nu zijn het geen elementen van buitenaf die het onze geliefden moeilijk maken - het zijn de geliefden zelf. Na een jarenlang samenzijn rest hun niets meer dan frustratie, bitterheid en ongebreidelde haat. Voor deze variant staan George en Martha symbool, de groteske echtelieden uit Who's Afraid of Virginia Woolf?

Toch zijn er ook uitzonderingen. In Mr. and Mrs. Smith, een van Hitchcocks zeldzame komedies, hanteert het echtpaar uit de titel een eenvoudige regel om hun huwelijke gezond te houden. Hebben ze ruzie, dan mag geen van hen de kamer verlaten totdat hun onenigheid uitgepraat is. Dat uitpraten kan uren, soms dagen duren. Maar werken doet het. In de films van Woody Allen gebeurt het tegenovergestelde. De hoofdpersoon (vaak een man, soms een vrouw) heeft de ideale relatie. Toch zou hij het liefst vluchten, bij voorkeur in de armen van een ander. Typisch geval van "bij de buren is het gras groener" natuurlijk, en aan het einde van de film komt de protagonist dan ook altijd weer met hangende pootjes thuis. Zo ook Sydney Pollack in Allens Husbands and Wives, die na een avontuur met een jongere vrouw terugkeert bij zijn stijve echtgenote. Niet dat ze gelukkig zijn. En seks hebben ze ook niet meer. Maar uiteindelijk verkiezen ze stabiliteit boven hoge pieken en diepe dalen. 'Hey,' zegt hij, 'whatever works.'

Ochtend in huize Valentin. De camera kijkt met mevrouw Valentin mee terwijl ze de krant leest. Met een sullige blik staart haar charmeur van een echtgenoot ons vanaf de pagina aan. We weten precies hoe de vrouw des huizes over haar man denkt als we zien dat ze een snor op zijn foto getekend heeft. Regisseur Hazanavicius hoeft er geen woorden aan vuil te maken: mevrouw Valentin háát haar man. Later zien we hoe ze ook 's avonds snorren op zijn portretten tekent, in een luie stoel bij het haardvuur. Ze kijkt niet eens op als hij eindelijk thuiskomt. Mooi hoe Hazanavicius haar onvrede met zo'n eenvoudige ingreep weet te verbeelden.

The Artist
Michel Hazanavicius, 2011

9.10.11

De ugly cry

Op mijn zeventiende kreeg ik iets met een Vlaamse architect. In zijn krappe appartement in Amsterdam-Oost liet hij me Wim Mertens horen, ging ik voor het eerst op internet. Ik vond hem leuk, hij mij ook, maar iets klopte er niet.Degene die ik was strookte niet met degene die ik weerspiegeld zag in zijn ogen: het eigenzinnige meisje dat zijn stijve, saaie, Vlaamsearchitectenbestaan binnen kwam fladderen. Ik was geen bries verdomme, ik was zelf de nukkige kunstenaar met de ramen dicht.
Beginners,de nieuwste film van Amerikaanse indie-filmer Mike Mills, is een quasi autobiografisch relaas waarin verschillende verhaallijnen niet-chronologisch door elkaar heen lopen. Hoofdpersoon Oliver heeft het er maar druk mee. Hij wordt depressief,hij wordt verliefd. Hij verwerkt zijn jeugd, zijn relatie met zijn ongelukkige moeder en het overlijden van zijn pas uit de kast gekomen vader. In anderhalfuur tijd moet Mills al die verhoudingen, situaties, emoties en personages geloofwaardig en invoelbaar maken. Daartoe moet hij keuzes maken, en het eerste wat sneuvelt, is de persoonlijkheid van Olivers love interest Anna.
Dit is wat we van Anna te weten komen:ze praat weinig (tijdens haar eerste ontmoeting met Oliver is ze wegens ziekte zelfs helemaal niet in staat om te praten), ze lacht veel, ze is niet vies vaneen potje seks. Ook heeft ze een assortiment aan eigenaardigheden. Met Halloween verkleedt ze zich als Charlie Chaplin, in een tweedehandsboekwinkel kiest ze voor een autobiografie van Bergman-actrice Liv Ullman en in bed kan ze Oliver spontaan in zijn arm bijten. Anna is niet als andere meisjes, maakt Mills duidelijk. Nee, maar ze is wel precies hetzelfde als al die andere meisjes die niet als andere meisjes zijn. Quirky noem je ze, die vrouwen die gelijke delen tomboy en kindmeisje zijn, met de ondeugende glimlach van Amélie uit Le fabuleux destin d'Amélie Poulain. Meisjes die onbeschaamd gek dansen zoals Sam in GardenState, of naïef-schattig een loodzwaar liedje van The Smiths voor je zingenin de lift ("To die by your side is such a heavenly way to die"),zoals Summer in (500) Days of Summer.Dat het quirky meisje een mannenfantasie is, zit 'm niet in haar voorgevel of leeghoofdigheid maar in de vlakheid van haar karakter.
Zoals Anna's ogenschijnlijk slordige kapsel bij nader inzien verpletterend mooi zit, zo maakt ook haar enige slechte eigenschap haar juist des te aantrekkelijker. Anna heeft namelijk bindingsangst, een schattige kwaal, die bovendien geheel te wijten is aan haar claimerige vader. Sneu! Maar niet alleen haar hechtingsproblemen leiden tot tranen, nee ook onvervalst medeleven bezorgt Anna kopzorgen. Huilend openbaart ze aan Oliver: 'Je hebt al zoveel verloren, ik ben bang dat ik dat niet kan compenseren.' Weer een andere huilsessie, als onderdeel van een snelle montage die de romance tussen Anna en Oliver samenvat, wordt niet eens verklaard. Waarom ze huilt, doet er niet toe. Wat Mills wil overbrengen, is: Kijk hoe diep deze relatie gaat. En ook: Wat is ze mooi als ze huilt, met vochtige wangen die het licht van de maan prachtig vangen. Ja, dag. Zelfs de grootste romanticus heeft de mythe van de mooie huiler inmiddels doorprikt. Wij vrouwen janken met hysterische uithalen en rode ogen en snot.Zelfs de beeldschone Mélanie Laurent die Anna gestalte geeft, huilt in het echt de ugly cry. En niet uit compassie voor haar vriendje maar waarschijnlijk uit puur, menselijk egocentrisme.
Mills zadelt niet alleen Anna met vreemde gewoonten op, ook de overige personages hebben hun eigenaardigheden. Papa zegt "hallo" tegen levenloze objecten, Oliver en vriend Elliot spuiten raadselachtige graffiti, papa's vriendje brengt zijn minnaar insecten. Het zijn inwisselbare gewoonten, niet bedoeld om de personages vorm te geven maar om Mills' eigenzinnigheid te demonstreren. Er zit maar één gewoonte tussen die wél werkt.Olivers moeder, verreweg het leukste personage, demonstreert regelmatig haar dead pan cynische humor door te mimen dat ze de kleine Oliver omlegt, waarop die bloedserieus een sterfscène improviseert. Een mooi gevonden hebbelijkheid, die vooral werkt omdat deze mama'sgebreken - zwartgalligheid, depressiviteit, onaangepastheid - zo mooi illustreert, en het zijn die gebreken die van haar een mens maken. Ook Olivers personage komt tot leven omdat hij de dunne scheidslijn tussen aardig en irritant bewandelt. Van zijn vader en diens vriend ga je vooral houden omdat de eerste zo verschrikkelijk koppig is en de tweede zich door zijn minderwaardigheidscomplex laat leiden.
Waarom, vraag ik me af, is Anna niet zo'n ergerlijke eigenschap gegund? Ik moet denken aan Polly, Ben Stillers behoorlijk quirky liefje in de mainstream romkom AlongCame Polly. Jennifer Anniston speelt deze puinhoop van een vrouw die haar chaotische bestaan op de één of andere manier toch in balans weet te houden. Hoe kan het dat een pretentieloze komedie als AlongCame Polly een levensechter personage in het leven weet te roepen dan Mills,toch overduidelijk een gevoelige en eigenzinnige filmmaker?
Anna poept niet, dat moge duidelijk zijn. Polly wel. Polly is slordig, onhygiënisch, besluiteloos. Terugdenkend aan mijn jaren in de dating game was de Belg niet de enige bij wie ik me Anna in plaats van Polly voelde. Er was ook een Amerikaan, een Brabander, een Hagenees. Hun adoratie was even vleiend als ongemakkelijk. Ik verkrampte, bang dat mijn echte, van gebreken vergeven ik hun fantasie zou verbrijzelen. Op de wc, daar in Amsterdam-Oost, poepte ik niet,maar huilde stiekem de ugly cry.

Beginners
Mike Mills, 2010

Vanaf 13 oktober in de Nederlandse filmtheaters